|
|
4. Mentorschap
4.1. Middelen
Voor het schooljaar 2007-2008 zijn er slechts twee mentorcoëfficiënten - één voor de stage en één voor de aanvangsbegeleiding - en geeft de grootte van de mentorcoëfficiënt voor de ondersteuning van de student of cursist tijdens de stage een vertekend
beeld. De middelen die vanaf het schooljaar 2008-2009 op basis van de LIO-regeling worden
berekend, zijn hierin begrepen.
Vanaf het schooljaar 2008-2009 gelden drie aparte
mentorcoëfficiënten.
De berekening van de middelen van mentorschap voor een school, centrum of instelling in herstructurering op 1 september 2007, gebeurt alsof deze herstructurering zich al heeft voorgedaan tijdens de
referentieperiode.
De mentormiddelen waarop een school, centrum of instelling recht heeft moeten ook voor dat doel aangewend
worden. De besteding van de middelen, voor ondersteuning van de
stagiair, de startende leraar of de LIO is binnen de school, centrum of instelling
vrij.
4.2. Mentor
De personeelsleden aangesteld met deze middelen zijn leerkrachten die in het kader van taakdifferentiatie een vermindering van lesopdracht krijgen om hun begeleidingsopdracht op te
nemen. De mentor blijft zelf ook een actieve leraar en kan maximum voor de helft van zijn totale opdracht in het onderwijs (met inbegrip van het hoger
onderwijs) met mentoring worden belast.
Hij moet voorafgaand aan of in het begin van het mentorschap een mentorenvorming
volgen. Hierover maken de instellingen, scholen of centra onderlinge
afspraken.
4.3. Opdracht
Het personeelslid belast met het mentorschap heeft als opdracht de coaching en de begeleiding van stagiairs en startende leraren te
superviseren, zowel pedagogisch als didactisch).
Deze opdracht valt uiteen in drie luiken:
a) de ondersteuning van de student of cursist tijdens de stage (preservice)
b) de aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar
c) de ondersteuning van de leraar-in-opleiding(inservice)
(a) De ondersteuning van de student of cursist tijdens de stage
De ondersteuning van de student of cursist tijdens de stage heeft plaats in een school voor basisonderwijs
(gewoon en buitengewoon), een instelling voor gewoon en buitengewoon secundair
onderwijs, een instelling voor deeltijds kunstonderwijs of een Centrum voor Volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor het secundair
volwassenenonderwijs. In dit geval verleent de mentor een professionele
evaluatie.
(b) De aanvangsbegeleiding gedurende het eerste jaar van de beroepsuitoefening als leraar
De aanvangsbegeleiding voor de startende leraar is voorzien voor:
- de afgestudeerden van de geïntegreerde lerarenopleidingen, namelijk de bachelors in het
onderwijs: kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair
onderwijs;
- de afgestudeerden van de specifieke lerarenopleidingen die geen LIO-baanovereenkomst hebben afgesloten en hun praktijkcomponent als preservice hebben
vervuld.
Opmerking: Voor wie praktijkervaring opdoet via een LIO-baan, valt de aanvangsbegeleiding samen met de
LIO-baan.
(c) De ondersteuning van de leraar-in-opleiding
Het assessment van de LIO gebeurt in overleg tussen de mentor en de
lerarenopleiding.
De taken worden toevertrouwd aan één of meer personeelsleden die belast zijn met het
mentorschap.
4.4. Selectie
Het personeelslid belast met het mentorschap wordt geselecteerd in overleg tussen de
scholen, instellingen, of centra enerzijds en de lerarenopleidingen
anderzijds. Hij of zij moet een mentoren- of een equivalente opleiding volgen of gevolgd
hebben.
Hierover worden afspraken gemaakt tussen de betrokken partijen.
|
|